door Roel Schuyt
Graag wil ik het in dit stuk hebben over enkele schrijvers die ik voor mijn loopbaan als vertaler erg belangrijk vind.
Het vertalen zit misschien een beetje in mijn genen: mijn moeder deed in de jaren vijftig regelmatig vertaalwerk voor uitgeverij Pegasus en maakte in 1955 via het Duits voor het in onze ogen astronomische bedrag van ƒ 700.- een vertaling van de omvangrijke roman Goud van de Russische schrijver Boris Polevoj, die door de Uitgeverij voor Vreemde Talen in de Sovjet-Unie werd uitgegeven. In de jaren zeventig en tachtig leerde ik het vertalersvak van Lela Zečković, die als docente Servo-Kroatische literatuur en later vertaalkunde aan de Universiteit van Amsterdam verbonden was. Zij was een kritische en strenge leermeester met een groot taalgevoel voor het Nederlands. Samen met haar vertaalde ik een bundel met gedichten van Vasko Popa, die in 1981 bij de Rotterdamse Kunststichting verscheen.
De schrijvers
1. Danilo Kiš (22 februari 1935 – 15 oktober 1989)
Onze eerste boekvertaling was Een grafmonument voor Boris Davidovitsj van Danilo Kiš, die werd gevolgd door Encyclopedie van de doden en vervolgens de roman Tuin, as, die ik zelfstandig, of eerder: samen met mijn vrouw Alma vertaalde. Het laatste boek is het middelste deel van de trilogie Familiecircus. Door mijn promotieonderzoek had ik een paar jaar veel minder tijd om te vertalen en de andere delen (Kinderleed en De zandloper) werden vertaald door Reina Dokter, wat voor haar het begin vormde van een succesrijke vertaalcarrière.
Een grafmonument voor Boris Davidovitsj bestaat uit zeven verhalen waarvan er vijf zijn gebaseerd op Zevenduizend dagen in Siberië waarin de Servische, maar in Oostenrijk geboren Karl Steiner of Karlo Štajner (1902-1995), die als Joegoslavische communist van 1936 tot 1955 in Siberië gevangenzat, zijn kampervaringen beschrijft. Danilo Kiš geeft de door hem bewerkte verhalen een eigen literaire vorm. Het voorlaatste verhaal, ‘Boeken en honden’ is een hoofdstuk uit het inquisitieregister van Jacques Fournier, de latere paus Benedictus XII, dat in de Franse versie van de Franse mediëvist Jean Duvernoy verscheen. (1) Het boek heeft aan actualiteit nog niets ingeboet. In het verhaal ‘De mechanische leeuwen’, op pagina 42, wordt enigszins gechargeerd gesteld dat Rusland ooit een verkeerde afslag nam:
Het glorierijke Kiëv, moeder der Russische steden, telde aan het begin van de elfde eeuw rond de vierhonderd kerken en was in de woorden van Thietmar von Merseburg ‘de rivale van Constantinopel en de schoonste parel van Byzantium’. Door aldus voor het Byzantijnse Keizerrijk en zijn godsdienst te kiezen zou Rusland via het orthodoxe geloof in een oude en verfijnde beschaving worden opgenomen, maar door het schisma en het afzweren van de heerschappij van Rome zou het worden overgeleverd aan de genade van de Mongoolse veroveraars en niet meer kunnen rekenen op de hulp van Europa. Dit schisma heeft uiteindelijk de Russische Orthodoxe Kerk van het Westen geïsoleerd; de kerken zouden voortaan worden gebouwd met het bloed en het zweet van het volk, zonder het elan van de hoog oprijzende gotische torens, en de geest van het ridderdom zou nimmer doordringen tot Rusland ‘dat zijn vrouwen zou blijven slaan alsof de cultus van de vrouw nooit had bestaan’.
Die passage is me altijd bijgebleven en ik moest er weer aan denken bij het lezen van Michel Krielaars’ indrukwekkende boek Rivier van bloed – Een cultuurgeschiedenis van de Wolga. Op pagina 213 verwijst hij naar het boek Mijn Rusland van Michail Sjisjkin uit 2024. Volgens Sjisjkin werd de met dwang opgelegde kerstening van Rusland – die ook door Kiš wordt genoemd – het geboortetrauma van het land. Maar iets anders dan we bij Kiš lezen, leidde de keuze voor het orthodoxe geloof en de invoering van het Oudkerkslavisch als religieuze taal er direct toe dat de Oost-Slavische stammen niet verbonden raakten met de klassieke oudheid; daardoor misten ze ‘de ontwikkeling die zich in de loop der eeuwen in Europa voltrok en met name tot stand kwam dankzij het Latijn, de lingua franca van de wetenschap, de geneeskunde en het recht.’ Aldus zouden de Oost-Slaven alleen al om taalkundige redenen verstoken blijven van de renaissance, de reformatie en de verlichting.
2. Dubravka Ugrešić (27 maar 1949 – 17 maart 2023)
Eind 1991 werd ik gebeld door Lela Zečković: bij haar thuis logeerde Dubravka Ugrešić, die op doorreis was naar de Verenigde Staten. Van haar waren in Nederland al drie boeken verschenen, in de jaren tachtig vertaald door Tom Eekman: Het leven is een sprookje, Steffie Steek in de klauwen van het leven en De sleutelroman ontsloten. Lela vroeg of ik een essay van Dubravka kon vertalen. Dat was het begin van een reeks bijdragen aan NRC-Handelsblad met als titel My American Dictionary. Niet lang daarna verscheen Nationaliteit: Geen, waarin ook enkele essays uit My American Dictionary waren opgenomen. Een van haar grote mentoren in Nederland was Henk Figee, verbonden aan uitgeverij Nijgh & Van Ditmar. Hij was een kritische, maar ook zeer beminnelijke man die helaas veel te vroeg op 17 september 1994 overleed. Hij was 46 jaar oud.
Na Nationaliteit: Geen verscheen er van Dubravka nog een tiental andere boeken. Het zijn bijna allemaal essaybundels waarin ze soms boos, soms kritisch, maar altijd met een scherpe, ironische en humoristische blik om zich heen keek, of dat nu in voormalig Joegoslavië, Amerika of enige andere plek ter wereld was. Zij heeft het uiteenvallen van Joegoslavië altijd betreurd. Voor haar was het een land dat na de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog vooral een opgaande lijn vertoonde en waar veel dingen voor het eerst verschenen, zoals de eerste voor iedereen betaalbare radio, merk: Nicola Tesla, of de eerste sinaasappel. Door veel mensen, ook door haar mede-academici in Zagreb, werd ze na 1991 om haar standpunt voor ‘Joego-nostaligica’ uitgemaakt. Ze publiceerde regelmatig artikelen in Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer. Dubravka bleef haar boeken en artikelen perfectioneren zolang dat maar kon, en talrijk waren de mailtjes die ik kreeg met als aanhef ‘hier nog een paar kleine wijzigingen’. Dat gaf me het gevoel dat een boek een permanente evolutie doormaakte en in een zekere samenwerking tot stand kwam.
In 1997 ontving Dubravka de Verzetsprijs van de Stichting Kunstenaarsverzet. Dubravka kreeg in 2005 het Nederlands staatsburgerschap en beschouwde zichzelf sindsdien niet meer als een Kroatische schrijfster. Toch bleef ze in haar eigen taal schrijven en heeft ze nooit enige ambitie gehad om Nederlands te leren.
Ik ben meer dan eens, ook met Alma, bij haar thuis geweest, aan de Postjesweg in Amsterdam. Soms vierde ze haar verjaardag met een welverzorgd diner, met daarbij een aantal vaste gasten. Op 18 juli 2022 was Dubravka samen met haar broer Siniša met de trein naar Leiden gekomen en we gingen lunchen bij het Grand Café van de Hortus. We moesten daar vanaf het station met een taxi naartoe, want Dubravka was heel slecht ter been. Dat was ze al een tijd, maar nu wel veel erger. Misschien door rugklachten?
Pas in januari 2023 hoorden we dat ze uitgezaaide kanker had en niet meer lang zou leven. Ze overleed op 17 maart van dat jaar. Naar aanleiding daarvan schreef ik voor het Tijdschrift voor Slavische Letterkunde het artikel ‘Dertig jaar met Dubravka Ugrešić’ en voor De Parelduiker een in memoriam.
De laatste tekst die we van haar vertaalden was ‘Sobrona-snoepjes en mijn universiteiten’. Dat was een gedeelte van de voordracht die ze op 23 oktober 2019 hield bij de aanvaarding van het eredoctoraat dat haar door de universiteit Kliment Ochridski in Sofia werd toegekend. Het stuk verscheen in 2023 in De Groene Amsterdammer. In 2024 kwam Nijgh & Van Ditmar met een heruitgave van Baba Jaga legde een ei, dat in 2010 bij De Bezige Bij was verschenen. Niña Weijers schreef daarvoor een voorwoord.
Momenteel werkt de schrijfster en journaliste Angela Dekker aan een biografie van Dubravka.
3. Drago Jančar (13 april 1948)
In 1993 maakte ik kennis met het werk van de Sloveense schrijver Drago Jančar. Voor uitgeverij De Wereldbibliotheek vertaalde ik Noorderlicht en De galeislaaf, die verschenen in 1994 en 1995. Noorderlicht speelt in de stad Maribor, waar in de jaren dertig de nadering van de Tweede Wereldoorlog voelbaar is. Naast de dreigende sfeer, die wordt gesymboliseerd door het felle noorderlicht in 1937 en de voorlopig nog vreedzame optochten door de stad, die echter de kiem van militaire marsen en kolonnes in zich dragen, is er plaats voor komische scenes en een bizar liefdesavontuur. De galeislaaf geeft een schilderachtig, vaak beklemmend en soms komisch beeld van het door de Habsburgers geregeerde Slovenië in de jaren na de Dertigjarige oorlog (1618-1648), toen de regio leed onder de terreur van de Inquisitie en door pestepidemieën werd geteisterd.
In 2018 verscheen bij Querido Die nacht zag ik haar. Deze op ware gebeurtenissen gebaseerde en door vijf personages vertelde roman werd gevolgd door (2019), een roman die begint met de beschrijving van twee vrouwen op een foto van het plein bij hotel Adler in bezet Maribor. Hotel Adler heette voor en na de bezetting opnieuw hotel Orel (Sloveens voor ‘Adelaar’).
Het toeval wilde dat wij daar in de zomer van 2006 logeerden. Bij het ontstaan van de wereld (2023) speelt na de Tweede Wereldoorlog en gaat over de liefde van een puber voor een wat oudere en wat mystieke vrouw. Vooral in de twee eerstgenoemde boeken speelt de partizanenstrijd (waaraan zijn vader ook deelnam) in Joegoslavië, een belangrijke rol. Tijdens en ook vlak na die strijd kwam het soms tot uitwassen die voor nazimisdaden niet onderdeden. Twee beruchte gevallen waren de massamoorden bij het Oostenrijkse grensdorpje Bleiburg, en het bloedbad op de Kočevski Rog, in het zuiden van Slovenië. Slachtoffers waren Kroatische ustaše en Kroatische en Sloveense domobranci (een soort patriottische garde) en hun gezinnen. Over die laatste gruweldaad bracht Drago Jančar in 1974 een boekje mee uit Oostenrijk. Dat leverde hem enkele maanden gevangenisstraf op, gevolgd door een wegens zijn ‘criminele verleden’ extra harde militaire diensttijd in het zuiden van Servië.
We ontmoetten Drago Jančar bij meerdere gelegenheden, zoals tijdens een gesprek met Stefan Hertmans eind 2021 in Brussel, en in 2023 in Amsterdam bij de presentatie van Bij het ontstaan van de wereld bij Pegasus en in Den Haag bij het Crossing Border Festival, waar hij geïnterviewd werd door Michel Krielaars.
Drago Jančar in gesprek met Stefan Hertmans, Brussel 2021
Moderator: Staša Pavlović
4. Ismail Kadare (28 januari 1936 – 1 juli 2024)
Eind 1995 kreeg ik te horen dat ze bij uitgeverij Van Gennep wilden weten of ik behalve Servo-Kroatisch, waaruit ik Sarajevo, portret van een in zichzelf gekeerde stad van de Bosnische schrijver Dževad Karahasan vertaald had, ook Albanees kende. Veel ‘topstukken’ uit Kadare’s werk waren al vertaald vanuit het Frans, maar bij Van Gennep wilden ze graag dat zijn boeken direct uit het Albanees werden vertaald. Ik zag hier een mooie kans en besloot die taal te gaan leren. De uitgeverij besloot met mij in zee te gaan. Het eerste boek dat ik vertaalde, was De adelaar.
We ontmoetten Kadare voor het eerst in het najaar van 1996, toen hij in Groningen de 14e Van der Leeuwlezing hield, getiteld Littérature devant le troisième millénaire. Daar toonde hij een onberekenbare kant van zijn karakter: in plaats van zijn rede geheel in het Frans te houden, zoals hij die ook had geschreven en samen met de Albanese versie ingestuurd, besloot hij het laatste deel daarvan voor te dragen in het Albanees.
Paniek alom, want zou ik het Albanees tijdens het scrollen ook kunnen volgen? Tot ieders grote opluchting bleek dat inderdaad te lukken. Was dat een test om te zien of ik het Albanees goed genoeg beheerste om zijn boeken te kunnen vertalen?
De volgende dag zagen we hem in het huis van Jaap Janssen en Joop Admiraal aan de Nieuwe Prinsengracht in Amsterdam, waar hij opnieuw zijn nukkige kanten toonde, wat aan de foto die daar werd genomen niet te zien is. Als middelpunt van de belangstelling was hij erg aimabel.
We hebben daarna heel wat titels van Kadare vertaald. Kadare wil de lezer kennis laten maken met de Albanese geschiedenis en de tradities, bijvoorbeeld door een bepaald thema te kiezen, zoals de brug met de drie bogen waarin een mens als Amsterdam 1996 offer wordt ingemetseld, of de bloedwraak, zoals in Breuk in april.
Soms gebruikt hij de dialogen tussen zijn personages om de lezer over bepaalde onderwerpen te informeren. Dat zie je in ‘Aantekeningen uit het havenkantoor’ waarin uit de gesprekken tussen diverse personen blijkt who is who? onder de mensen die in de vijftiende eeuw naar Italië trekken en daar de basis voor de Arbereshe-gemeenschappen vormen.
Kadare levert dikwijls indirecte kritiek op de samenleving, bijvoorbeeld door een verhaal in Istanbul of in het Koninkrijk Albanië te laten spelen, terwijl de handeling en de omgeving duidelijk suggereren dat het gaat om socialistisch Albanië. Het verhaal ‘Het verblindingsdecreet’, bijvoorbeeld, speelt in Istanbul, of liever gezegd in de ‘hoofdstad’. Het decreet is gericht tegen mensen met het boze oog en er wordt tegen hen een genadeloze campagne gevoerd: ze moeten zich voor verblinding melden! Het gaat hier om een parodie op de gevreesde ‘campagnes’ in communistisch Albanië. Tijdens zo’n campagne werd, vaak door een schijnbaar onbenullige aanleiding, een hetze tegen bepaalde groepen binnen de samenleving ontketend. Iedereen wachtte dan in angstige spanning af wat er gebeuren zou.
We ontmoetten Kadare voor het laatst in het vroege najaar van 2016, en wel in Tirana, waar hij ‘resideerde’ op zijn vaste plek in hotel-restaurant Juvnilja. Met zijn nukkige karakter in gedachten gingen we erheen alsof we naar de galg werden geleid en we verwachtten na een halfuur weer op straat te staan, maar het werd een geanimeerd gesprek dat zeker anderhalf uur duurde. Het mooiste moment kwam eind 2017, toen ik de Nederlands Letterenfonds Vertaalprijs omving en de organisatoren de heer Kadare bereid vonden om mij vanuit zijn appartement in Parijs via een vriendschappelijke videoboodschap als ‘mon cher ami Raoul’ toe te spreken.
Het bleef niet bij Kadare alleen. In 1997 verscheen in een gezamenlijke uitgave van Van Gennep en Novib het boek Die ogen en de dood van de Kosovaarse schrijver Rexhep Qosja (25 juni 1936 – 23 april 2026).
Het is een poëtische, maar ook beklemmende sfeertekening van Kosovo vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog tot de jaren na de val van Aleksandar Ranković (in 1966), die de Kosovaarse Albanezen zeer slecht gezind was.
Een jaar later verscheen in de bundel Een paard dat Pools praat van uitgeverij Prestige / Stichting Oost-Europakring Utrecht het verhaal ‘Warme koffie in de haven van Durrës’ van Ardian Klosi. De bundel was samengesteld door Richard van den Brink, Hellen Kooijman en Bert Kuitenbrouwer.
5. Flutura Açka (4 juni 1966)
Via Richard van den Brink maakte ik eind jaren ’80 kennis met Gerda Mulder, Robert Elsie en niet in de laatste plaats Richards partner, de Albanese schrijfster Flutura Açka en haar werk. Het eerste boek dat we van haar vertaalden, was Kruis van vergetelheid. Het heeft een originele verhaalopbouw: het is de jaarwisseling van 1999-2000. De vertelster spreekt op het vliegveld van Boedapest in de transithal met een Albanese jongen die net als zijzelf op weg is naar Nederland, waar hij woont. Het vliegveld is ingesneeuwd en ze moeten wachten op hun aansluiting. In die tijd en tijdens de vlucht naar Amsterdam vertelt de jongen zijn aangrijpende verhaal, dat gaat over een oplevende bloedvete in postcommunistisch Albanië waarbij zijn familie betrokken is, en de leegloop van het land. Flutura creëert graag nieuwe woorden en samenstellingen en is altijd alert op het noteren van onbekende woorden.
In september 2016 reisden Alma en ik naar Albanië, waar Flutura onze excellente reisgids was, en we bezochten Tirana, Elbasan, Durrës, Vlorë, Saranda, Gjirokastër, Tepelenë, Berat en Krujë.
Gjirokastër
Berat, de witte stad of de stad met de duizend ogen
Flutura was geen grote fan van Ismail Kadare, maar had wel voor ons het gesprek met hem in Juvenilja geregeld.
Op 5 mei 2018, vlak voor zijn achttiende verjaardag, overleed Flutura’s enige zoon Jerin. Haar verdriet inspireerde haar tot de dichtbundel Hoeder van het licht, waarvan een selectie in 2019 verscheen. In 2023 verscheen Biri – Mijn jongen – een aangrijpend boek over Jerins laatste levensjaar, verrijkt met terugblikken en herinneringen.
In 2025 verscheen Flutura’s verhalenbundel Late tulpen, waarvan sommige verhalen spelen in Nederland en andere in Albanië.
Momenteel werkt Flutura aan Het jaar zonder herfst, een driedelige historische romen over de lotgevallen van de Nederlandse majoor Lodewijk Thomson en kolonel Willem de Veer in het woelige Albanië van 1913-1914. Parallel met hun belevenissen zijn er (deels op historische gebeurtenissen gebaseerde) beschrijvingen van diplomatieke, intellectuele en amoureuze ontwikkelingen in Florence en omgeving, en zien we connecties tussen families en netwerken in Albanië, Turkije, Roemenië en West-Europa. Aan de vertaling van het eerste deel zijn we net begonnen.
6. Lojze Kovačič (9 november 1928 – 1 mei 2004)
In de zomer van 2009 mocht ik als vertaler en moderator deelnemen aan een poëziefestival in het Sloveense kuuroordplaatsje Rogaška Slatina.
Een paar maanden daarvoor hadden we de vertaling voltooid van deel 1 van de trilogie De nieuwkomers (Prišleki) van de Sloveense schrijver Lojze Kovačič. We zagen in de uitnodiging een mooie gelegenheid om een literaire wandeling te maken door Ljubljana, de stad waarheen de jonge Lojze Kovačič met zijn ouders en zusje Gisela vanuit Basel in 1938 werd gedeporteerd omdat zijn vader niet tijdig het Zwitsers staatsburgerschap had aangevraagd.
Gouache van mijn zwager Simon Kramer
met Clairi, Lojze en de zigeuners
Het gewenningsproces dat de Duitstalige Lojze, met de roepnaam Bubi, in Ljubljana en op het platteland bij Novo Selo doormaakte wordt in het boek uitgebreid beschreven. Wij konden veel plekken bezoeken waar hij van 1938 tot april 1941 zijn jongensavonturen beleefde: de burcht, de kades langs de Ljubljanica en de bruggen eroverheen, de marktpleinen, het Zvezdapark, het Tivolipark en de heuvel Rožnik. Het boek ademt de sfeer van de ophanden zijnde Tweede Wereldoorlog en de steeds wisselende sympathieën onder de Sloveense, deels nog Duitstalige bevolking. Er komt een pro-Duitse jeugdbeweging op waar Lojze lid van zou moeten worden, wat hij pertinent weigert.
De een ziet zichzelf als Joegoslavisch staatsburger en de ander betreurt de ondergang van Oostenrijk-Hongarije en hoopt dat er met een oorlog misschien een einde komt aan de Joegoslavische ‘Zigeunerei’. In die Zigeunerei’ moet ook Lojzes gedistingeerde oudere zus Clairi, die naderhand uit Basel overkwam, zien te wennen.
Het deel besluit met de Duitse luchtaanval op Belgrado, op 6 april (palmzondag) 1941.
Het tweede deel bestrijkt de periode 1941-1945, met de Italiaanse en daarna Duitse bezetting, waarin Lojze zijn eerste puberale liefdes beleeft en getuige is van onrust en aanslagen. Op een steenkoude ochtend laten ze zich voor een eventuele verhuizing naar Duitsland medisch keuren in een onderzoekscentrum dat in een punctueel ingerichte spoorwagon is ondergebracht. De keuring verloopt hilarisch, vooral door de slechte fysieke conditie van Lojze’s vader. ‘Jetzt auf das Band!’ beveelt de keuringsarts, maar de arme man is te traag en rolt van de loopband af. Na afloop is er een plechtigheid en krijgen de kinderen een exemplaar van Mein Kampf. De animo om echt te vertrekken is echter gezakt en vooral Lojze’s anti-Hitlergezinde moeder heeft al helemaal geen animo meer om te gaan.
Gouache van Simon Kramer
Lojze en Tanja, ‘een vrouw met borsten als planeten.’
Deel drie speelt tussen 1945 en 1948, en daarin nemen de partizanen de macht over. Lojze Kovačič beschrijft het soms zeer fanatieke en antireligieuze optreden van de nieuwe machthebbers en het jongere kader in een land dat in veel opzichten aan de Sovjet-Unie of het nieuwe Albanië onder Enver Hoxha doet denken, compleet met muurkranten en een ‘rode hoek’ in stalinistische stijl.
Uit de gesprekken tussen diverse personages blijkt welke slachting er in het stadje Bleiburg werd aangericht. ‘De lopen van de mitrailleurs moesten van tijd tot tijd worden gekoeld’. De kerken staan er leeg en verlaten bij en de arbeidersmassa’s gaan ’s morgens gelaten de fabrieken in en komen er in de avond vermoeid weer uit. Zijn moeder en zijn zussen Gisela en Clairi zijn het land uitgezet en zitten in een geallieerd opvangkamp in Oostenrijk. Lojze mag blijven en reist door Slovenië om bibliotheken en cultuurhuizen te bezoeken. Een oproep uit die tijd: ‘Beste kameraden schrijvers! Doe als een schilder, ga naar de fabrieken en beschrijf wat je daar aan vooruitgang ziet!’ Heel vermakelijk en ook buitengewoon sappig beschreven is zijn kortstondige relatie met de cultuurmedewerkster Tanja, een vrouw ‘met borsten als planeten.’ De relatie loopt stuk omdat hij door een jaloerse spoorwegmedewerker wordt belasterd.
De trilogie eindigt met de breuk tussen Stalin en Tito in 1948. Lojze raakt door zijn eigenzinnige opstelling steeds meer uit de gratie en moet zich melden voor zijn dienstplicht, die hij zal vervullen in Macedonië. Hier eindigt het verhaal abrupt met de woorden over een kolonel: ‘Met hem is het slecht kersen eten.’
In alle drie delen wordt veel Duits gesproken, en wat in de tekst meteen opvalt zijn de vele … puntjes in de stijl van Reis naar het einde van de nacht van Céline. Het was in het begin vrij moeilijk om op zo’n manier om die puntjes heen te werken dat de tekst gewoon doorliep.
7. Slobodan Šnajder (8 juli 1948)
In de loop van 2019 werd me gevraagd of ik het boek Doba mjedi – letterlijk: De kopertijd van de Kroatische auteur Slobodan Šnajder kon vertalen. Aanvankelijk zou de titel luiden De bronzen slang, maar het werd De reparatie van de wereld.
Het boek begint met de geschiedenis van de in Kroatië wonende Duitse familie Kempf, waarvan een voorzaat in de achttiende eeuw met een groep anderen uit het verarmde Duitsland wegtrok om op verzoek van keizerin Maria-Theresia in Slavonië land te helpen ontginnen, waarna een aanpassingsproces met behoud van een zekere Duitse identiteit volgde en de groep van ‘Volksduitsers’ ontstond. Hoofdpersoon is Georg Kempf, die in Slavonië opgroeit, tijdens de Tweede Wereldoorlog als SS-soldaat en later als deserteur en partizaan door Polen, Rusland en Midden-Europa trekt en uiteindelijk in Zagreb komt te wonen. Georg Kempf staat voor Đuro (Kroatisch voor Georg) Šnajder, de vader van Slobodan. De titel van het boek is gebaseerd op de koperen slang uit het Oude Testament (Numeri 21:4-9) en verwijst naar de in de Bijbelpassage vervatte boodschap: kijk de juiste kant op en er zal je geen kwaad overkomen! Kijk naar mij, zeggen ergens in het boek de mierenleiders en op een andere plek de aanvoerders der ratten.
Er is een strijd gaande tussen zwarte en rode mieren en zwarte en bruine ratten. Zwart tegenover bruin dan wel rood: je ziet meteen een parallel met Hitlers zwarthemden en het door Stalin belichaamde Rode Gevaar. Het was een heel bijzonder boek om te vertalen. Dat kwam ook door de kadertjes waarin de zielen aan het woord komen van kinderen die nog niet zijn geboren en misschien ook nooit geboren zullen worden.
In 2023 begonnen we aan de vertaling van Slobodans nieuwste boek, De engel van het verdwijnen (Anđeo nestajanja). Tot de vertellende personages behoort een vroeg twintigste-eeuws huis aan de Ilica, een hoofdstraat van Zagreb, met diverse huurappartementen. De huurders zijn van verschillende sociale en politieke pluimage en het huis leeft als een soort deftige, bezorgde dame met hen mee. Een van hen is Anđa Berilo, een vrouw met een merkwaardige naam en een onbekend verleden, die de Joegoslavische partizanenstrijd meemaakt en aan de bevrijding van Zagreb meewerkt. Anđa is een van de tijdloze personages die in het boek verschijnen, net als het kind Magus dat in verschillende perioden terugkeert. Wat opviel was het merkwaardige spel met de tijd dat hier en daar gespeeld wordt. Het huis aan de Ilica staat op een plek waar tijdens de pestepidemie van 1563 een heks woonde. Haar hutje bevond zich aan een beek waarin op de bodem het nog niet gebakken aardewerk in de klei te zien was, en iets verderop dendert er ineens een rinkelend blauw gevaarte voorbij – een tram, die daar pas over enkele honderden jaren zal rijden.
In november 2024 was Slobodan Šnajder een paar dagen in Nederland. We gingen met hem naar het Van Goghmuseum en na afloop dronken we nog iets op het Spui. Een dag later was hij in Den Haag voor een interview met Michel Krielaars in het kader van het Crossing Borderfestival.
Slobodan en Alma
in Amsterdam
In januari 2026 kregen wij van De Bezige Bij het verzoek de vertaling van Een grafmonument voor Boris Davidovitsj voor een heruitgave nog eens te bekijken. Toen we daaraan begonnen bleek het de moeite waard om deze, hoe geslaagd ze ook was, na drieënveertig jaar nog eens kritisch te herzien op het gebied van woordvolgorde, woordkeus, spelling en zinsbouw. Enkele voorbeelden: ‘Tot de aankomst van de trein restten hem nog precies vier uur’ werd gewijzigd in: ‘Hij had nog precies vier uur voordat de trein zou arriveren’. Het zinsdeel ‘als teken van de onwankelbaarheid van zijn overtuigingen…’ werd ‘om te tonen dat hij nog steeds rotsvast in zijn overtuigingen gelooft…’ Wladimir werd Vladimir en de naam van de Boetirka-gevangenis in Moskou werd gecorrigeerd tot Boetyrka. Tot slot leek het ons verstandig om enkele eindnoten toe te voegen. Op pagina 7 van de vertaling uit 1983 lezen we: ‘Dan zou, volgens de logica van het toeval en als gevolg van duistere gebeurtenissen diep in het onderbewustzijn van de verteller, af en toe een Russisch woord opflitsen, soms zacht als teljatina, soms hard als kindzjal.’ Maar wat betekenen die woorden? Het woord teljatina betekent ‘kalfsvlees’ (dus iets mals of zachts), en kindzjal of kinzjal ‘dolk’.
En zo blijkt dat een vertaling, hoe geslaagd ze ook is en wat voor mooie recensies ze ook kreeg, eigenlijk nooit helemaal af is
(1) Jean Duvernoy: Le Registre d'inquisition de Jacques Fournier (évêque de Pamiers): 1318 - 1325
Reactie plaatsen
Reacties